Wat doen als de werkgever geen outplacement aanbiedt?

Onderstaande is enkel van toepassing wanneer de werkgever gevestigd is in het Vlaamse Gewest of in een gemeente van de Duitstalige Gemeenschap.

Als de werkgever geen outplacementaanbod heeft gedaan, dan kan de werknemer onder bepaalde voorwaarden bij de RVA terecht voor outplacement.

De RVA zal geen concreet aanbod doen, maar wel een outplacementcheque geven waarmee de werknemer zelf op zoek kan gaan naar een outplacementkantoor.

Indien de werkgever gevestigd is in het Waalse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, kan de werknemer zich wenden tot Forem (Waals gewest) of tot ACTIRIS (Brussels Hoofdstedelijk Gewest). De RVA is geen betrokken partij.

Hoe moet de werknemer deze aanvraag concreet doen bij de RVA?

De werknemer moet een schriftelijke aanvraag indienen bij het kantoor van de RVA, bij voorkeur met het formulier C 230, binnen een termijn van 6 maanden vanaf het tijdstip waarop hij zijn werkgever in gebreke stelt. Tewerkstellingen van minder dan 3 maanden verlengen deze termijn.

Als de werkgever spontaan een outplacement moest aanbieden, moeten de volgende bewijsstukken worden toegevoegd:

  • een kopie van de ontslagbrief;
  • een kopie van het formulier C4;
  • een kopie van het schrijven waarmee de werknemer de werkgever tijdig in gebreke stelde omdat hij niet binnen de 15 dagen nadat de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen, spontaan een outplacement aanbood of omdat het aanbod volgens de werknemer niet geldig is;
  • een verklaring van de werknemer waaruit blijkt dat de werkgever niet binnen de maand positief gereageerd heeft op de ingebrekestelling.

Als de werkgever niet spontaan een outplacement moest aanbieden, moeten de volgende bewijsstukken worden toegevoegd:

  • een kopie van de ontslagbrief;
  • een kopie van het formulier C4;
  • een kopie van het schrijven waarmee de werknemer uiterlijk 2 maanden na de kennisgeving van het ontslag zijn aanvraag om outplacement bij de werkgever of bij het fonds hebt ingediend;
  • een kopie van het schrijven waarmee de werknemer de werkgever tijdig in gebreke stelde omdat hij niet binnen de 15 dagen na het verzoek een outplacement aanbood of omdat het aanbod volgens de werknemer niet geldig is;
  • een verklaring van de werknemer waaruit blijkt dat de werkgever niet binnen de maand positief gereageerd heeft op de ingebrekestelling.

Indien er een afwijkende procedure in de sector bestaat, moet het bewijs geleverd worden dat deze afwijkende procedure werd gevolgd.

Wat doet de RVA dan?

De RVA gaat na of de werknemer voldoet aan alle voorwaarden om te genieten van een outplacement via de RVA. Hiertoe zal de RVA contact opnemen met de werkgever.

Binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de aanvraag van de werknemer, zal de RVA aan de werkgever vragen om een rechtvaardiging te geven voor het niet aanbieden van het outplacement waarop de werknemer recht heeft. Hij beschikt vanaf de kennisgeving van deze vraag (= 3 werkdagen na verzending) over een termijn van 15 kalenderdagen om een antwoord te geven.

De RVA zal de rechtvaardiging onderzoeken en er uitspraak over doen.

De outplacementcheque

Als blijkt dat de werkgever ten onrechte geen geldig en concreet aanbod heeft gedaan, zal de werknemer van de RVA een outplacementcheque krijgen.

De werknemer kan met deze outplacementcheque terecht bij elk outplacementbureau.

De begeleiding moet aangevat worden binnen de 12 maanden te rekenen vanaf de datum van aflevering van de outplacementcheque en moet voldoen aan alle voorwaarden vermeld in de toepasselijke cao 82.

De RVA zal de kosten van deze outplacementbegeleiding betalen, met een maximum van 1.500 euro. Het outplacementkantoor kan hiervoor contact opnemen met het lokale kantoor van de RVA dat de outplacementcheque aan de werknemer heeft bezorgd.

De RVA zal deze kosten recupereren via de werkgever, aangezien die een verplichte bijdrage van 1.800 euro krijgt opgelegd. De kosten blijven dus toch voor de werkgever.